Rasstandaard van de ezel

Dit is de ezelrasstandaard opgesteld door B.V.T.V.E. vzw in 1995.

ALGEMENE KENMERKEN

Haarkleed : De beharing is gelijkmatig verdeeld, voldoende dicht in de winter, fijn en glanzend in de zomer. Alle kleuren zijn toegelaten.

Hoofd :

  • Kort met diepe kaak en neusbeen recht (niet bol
  • Gebit volledig ontwikkeld, noch onder noch boven voorbijtend (snoekbek-varkensbek)
  • Oren middelgroot tot groot, niet te ver uit elkaar staand en attentvol naar voren gedragen. De binnenzijde dicht behaard.
  • Ogen groot, donker, helder en uitdrukkingsvol
  • Neus en lippenpartij vooral fijn gevormd stevig en beweeglijk.

Hals : Middelmatig lang-stevig-niet te slank in verhouding tot de manenkom. De aanzet aan het hoofd fijn en diep uitlopend aan de borst. Weinig onderhals.

Schouder : Voldoende lang. Mag vrij steil zijn in verhouding tot andere paardachtigen. Met de horizont een hoek vormend van 75 tot 80 graden. Goed aangesloten aan de borstkas.

Schoft : Hoeft niet uitgesproken ontwikkeld te zijn. De bovenlijn van de hals vloeiend in de rug overgaand. Een brede platte schoft is niet wenselijk

Borst : Ruim, voldoende breed en diep met voldoende gewelfd ribben

Rug : Licht gewelfd, stevig en vooral bij de hengsten niet te lang in verhouding met de achterhand

Lenden : Stevig bespierd, niet ingevallen

Kruis : Lang, iets gebogen afhellend naar de staartinplant doch niet afvallend. Licht rondend met de heupen.

Achterhand : ruim ontwikkeld met stevige bespiering op de bil, een lange en voldoende bespierde schenkel

Benen :

  • Vooraan : recht, geen troontreders of franse stand, geen holle knie nog bokbenigheid. De voorarm lang in verhouding tot de pijp en stevig bespierd. De pijp in verhouding kort en droog, de gewrichten fijn en gebeeldhouwd zonder uitsteeksels. Het kootbeen niet te kort en een hoek van 50 tot 60 graden vormend met de horizont.
  • Achteraan : geen koehakkigheid noch O-benen, geen sabellenigheid, noch te steile stand. Evenals vooraan een korte pijp in verhouding tot horizont. De pijp staat loodrecht. De kootbeenderen zijn voldoende lang en geplaatst in een hoek van 50 tot 60 graden met de horizont. De benen en gewrichten zijn droog en fijn gebeeldhouwd

 

 

Voeten : Cilindrisch en goed gesloten, niet brokkelig. De hoeven mogen t.o.v. de andere paardachtigen vrij steil zijn (50 tot 60 graden t.o.v. de horizont. De voetas moet evenwel recht zijn (hoef, kroon en kootbeen moeten in elkaars verlengde liggen). De hoeven dienen recht naar voren geplaatst. De achterhoeven mogen cilindrisch tot licht ovaal zijn. De helling van de hoef kan iets korter zijn dan vooraan.

Gangen :

  • Stap : correct en vlot, de achterhoeven dienen in stap niet voor de voorhoeven geplaatst, doch wel correct in dezelfde lijn bij achteraanzicht
  • Draf : Vlot en voldoende uitgrijpend vooraan met duidelijke, maar niet te hoge knieerectie. De voorhoeven worden recht naar voren geplaatst zonder te maaien of te borstelen. De achterbenen dienen voldoende ondergeplaatst met duidelijke beweging van de spronggewrichten. Een te enge of slingerende gang achteraan dient geweerd.

 

INDIVIDUELE KENMERKEN PER TYPE

TYPE 1 : klein type nog geen specificaties (- 80 cm)

 

TYPE 2 :

  • Schofthoogte maximum 104 cm
  • Gedrongen, maar krachtig type met kort hoofd en iets zwaardere hals
  • In verhouding met de grotere types is het beenwerk iets zwaarder, borst breder en de borstkas meer gewelfd
  • Kootbeenderen mogen in verhouding tot de andere typen iets korter en steiler geplaatst zijn
  • Vacht vrij dicht

TYPE 3 :

  • Schofthoogte minimum 105 cm en maximum 119 cm
  • Overgangstype : harmonisch in bouw, benen en gangen

TYPE 4 :

  • Schofthoogte minimum 120 cm
  • Hoofd en hals enigszins slanker dan bij type 2, de hals voldoende lang. Schoft bij voorkeur duidelijk afgetekend, schouder niet te lang en niet te steil. Rug sterk met voldoende lang kruis.
  • Beenwerk fijn met voldoende lange kootbeenderen, niet te steil
  • Draf vlak, uitgrijpend en elastisch
  • Beharing fijner dan type 2